close
  • zaterdag 27 november
Algemeen

Portret – Wat bezielt Simon Andringa?

Portret – Wat bezielt Simon Andringa?

Regelmatig spreken wij bijzondere persoonlijkheden. Hoe staan ze in het leven? Wat maakt dat ze een inspiratiebron zijn voor anderen? Kortom; wat bezielt hen?

(Lees ook wat ondernemer en avonturier Johan Vos bezielt.)

Simon Andringa: levensgenieter en hardloper

De lokale media besteedde veel aandacht aan Simon Andringa, die dit jaar de Londen marathon uitliep. Daarmee volbracht hij zes grote marathons in de wereld, de zogenoemde Big Six. Wat drijft deze man om op zijn 75ste nog een marathon te lopen? Waar haalt hij de energie en de motivatie vandaan? Wie is hij en vooral: wat bezielt hem?

De kinderen Andringa waren met z’n zessen en droegen als ‘kinderen van een boerderij’ bijna altijd klompen. “Dan werden bij regenachtig weer je voeten nat. Liep je op school en in de kerk altijd met natte sokken rond. Geld voor leren klompsokjes was er niet.” We spreken over bijna zeventig jaar geleden. Er liggen enerverende jaren tussen die kindertijd en het leven van nu. Een fascinerend leven dat Simon Andringa regelmatig duidt als ‘een feestje’.

Die klompen zijn inmiddels ingeruild voor sneakers en regelmatig voor hardloopschoenen. Simon is een loper. De media besteedde behoorlijk veel aandacht aan zijn hardloopcarrière die onlangs leidde tot het behalen van de Big Six. Hij is de oudste Nederlander die deze bijzondere prestatie leverde. Hij behaalde de Six Star-medaille voor het uitlopen van zes marathons. Marathons in Berlijn, New York, Tokio, Chicago, Boston en Londen. En hij houdt er ook voorlopig nog niet meer op nu hij het plan heeft om met zijn kleinzoon de marathon van Tel Aviv te gaan lopen. Niet gek voor een boerenzoon uit Friesland. “Eigenlijk was ik helemaal geen boerenzoon zoals je je dat voorstelt,” vertelt hij vanuit zijn stijlvolle ingerichte bungalow in Tytsjerk, een dorp net buiten Leeuwarden. “Dat boerenleven paste eigenlijk niet bij me. Ik ben best ijdel en vond op de boerderij veel zaken maar smerig. We hadden een tiental koeien, een stier, kippen en een haan en ga zo maar door. Er moest altijd wat gebeuren. Ik realiseerde me goed dat we gezamenlijk dat boerenleven draaiende moesten houden. Smerig of niet, handen uit de mouwen dus.”

Een vetpot was het niet. “We stookten de boerderij warm met een houtkachel, en regelmatig moesten we in de winter met een keteltje warm water langs de leidingen zodat die niet zouden bevriezen. Van de KRO-bode scheurden we strookjes papier voor bij de buitenplee. Veel te glad papier overigens. Maar zo ging het. We hadden het niet breed, maar opvallend genoeg wilden vriendjes altijd bij ons spelen. Wij hadden immers een bootje en een hooiberg. Je kon je er altijd geweldig vermaken. Ik had eens een vriendje mee die ging zitten lezen, maar dat vond mijn moeder maar niks. Die hoefde niet meer te komen. Mijn ouders hielden er beiden van dat je actief was. Dat gold ook voor bezoek.”

Ik was mijn moeders lievelingetje

Simon was een jaar oud toen zijn vader de familieboerderij overnam. “Mijn pa was eigenlijk banketbakker. Hij kwam uit een gezin met elf kinderen, mijn moeder uit een gezin met vijf kinderen. Ze wisten van aanpakken en namen de boerderij van mijn vaders ouders over. Eigenlijk van zijn moeder, die na het vroeg overlijden van mijn opa de boerderij een tijd lang met twee ongetrouwde zoons in stand hield. Het boerderijtje stond langs het water in het toenmalige Kleijenburg in Leeuwarden en met een praam werden af en aan de koeien naar een verderop gelegen stuk land vervoerd. Als kind moest ik daarbij helpen. Ik schilde ook regelmatig een emmer vol aardappels. Dat deed ik voor mijn moeder. Versierde ik die emmer ook nog met bijvoorbeeld klimop. Het gaf me een goed gevoel mijn moeder een plezier te doen. Ik was een beetje haar lievelingetje en dat hield ik graag in stand.”

Anderen een plezier doen, zit nog altijd in hem. “Ik heb een fijne band met mijn drie kinderen, en ik ben gek met al mijn zeven kleinkinderen. Ik onderneem van alles met ze en ook hen doe ik graag een plezier. Zoals ik dat voor mijn moeder deed, doe ik dat even graag voor al die kinderen waar ik zielsveel van houd. Het is voor mij echter ook geen moeite alle kliko’s na het legen, van de hoek van de straat naar de buren terug te rijden. Of vrijwilligerswerk te doen bij allerlei culturele evenementen. Daar word ik blij van. Mensen zeuren tegenwoordig zo veel. Maar er valt toch echt weinig te klagen. Als je de mooie kanten van het leven maar ziet. Het geluk zit in kleine dingen. Een voorbeeld? Ik kon in mijn jonge jaren enorm genieten van de soep die mijn moeder op zaterdag maakte. Zo’n enorme pan groentesoep vol met groenten en gehaktballetjes. Die zaterdagsoep was gewoon een feestje. Ondanks dat we het niet ruim hadden, genoot ik daarvan. Als ik op zaterdagnacht thuiskwam van het dansen in de stad, wat ik enorm graag en vaak deed, had ik reuze honger en rook dan die soep. Dan nam ik snel een beetje en deed er wat water bij zodat mijn moeder niet zou merken dat ik ervan gegeten had. Ze had het natuurlijk meteen door. Maar ik wist mijn moeder altijd te vriend te houden.”

Je leerde tevreden zijn

“Ik heb nu datzelfde gevoel als ik na een lange duurloop thuiskom en een kom vol yoghurt met muesli, fruit en noten eet. Dat geeft zo veel voldoening. Het is genieten. Daar word ik blij van en dat heb ik echt van huis uit meegekregen. We leerden met kleine dingen blij te zijn. Met Sinterklaas kregen we als kind bijvoorbeeld een zakdoek, onderbroek of ik kreeg de broek van mijn broer. Een enkele keer had je er een dinky toy bij. Maar dat was het dan ook. Het ging echter niet om die cadeaus, de ervaring was veel belangrijker. Mijn vader zorgde er altijd voor dat er drie zwarte pieten kwamen. Het was een enorm en intens feest. Eigenlijk komt het erop neer dat je leerde tevreden zijn. Dat was lastig uit te leggen op school, want daar ging het er natuurlijk om wat je van de Sint gekregen had. Dan loog ik er van alles bij. Ik was heus niet teleurgesteld, maar ik maakte er wat van.”

Tijdens een van die eerdergenoemde dansavonden leerde hij zijn toekomstige vrouw Nellie kennen. “Ze droeg van die Franse flatjes, die platte schoentjes. Ik vond haar op zangeres Françoise Hardy lijken. Of was het Mireille Mathieu? In ieder geval had ze zo’n bob-kapsel met een pony. Ze had een geweldige uitstraling. Ik was helemaal hoteldebotel. We kregen verkering en moesten na een tijdje trouwen omdat ze zwanger raakte. We waren thuis katholiek dus dat was voor mijn ouders en de omgeving nog best een heikel punt. Ik moest komen praten bij de pastoor. Nu moet je weten dat ik onder andere misdienaar was, meezong in het kerkkoor, hielp bij begrafenissen. Ik was bijna dagelijks met die kerk bezig en in het weekend was ik soms zelfs wel een paar keer per dag in de kerk te vinden. Dan werd me bijvoorbeeld ook weer gevraagd of ik kon assisteren bij het lof. Ik raakte op die manier heel erg bij de kerk betrokken. Ik meen niet dat ik echt gelovig was. Zo ver ging dat niet. Daar nam ik ook de tijd niet voor, om me echt in het geloof te verdiepen, maar ik vond de sfeer wel heel fijn. De wierook, de ceremonies. Ik had op een gegeven moment zelfs een altaartje in huis. Kwam de familie langs om bij mijn altaartje te zitten. Heel even dacht ik priester te moeten worden, maar ik zakte voor het seminarie toelatingsexamen.”

De pastoor gaf hem zijn zegen. Simon trouwde met Nellie. Overdag werkte hij, ’s avonds ging hij aan de studie. Het werd, na de technische school, een avondstudie bouwkunde. “Overdag werkte ik als timmerman en metselaar. Ik deed van alles en heb tot mijn achtentwintigste doorgeleerd. Ondertussen regelde mijn baas een huis voor Nellie en mij. We kregen drie kinderen en we zijn regelmatig verhuisd. Van een bovenwoning naar een huis van vier verdiepingen en van een huurwoning naar een koophuis. Ik verbouwde ieder huis tot een pareltje. En altijd veel vrienden over de vloer. Met Sinterklaas kwamen alle buurkinderen, gooide ik de pepernoten echt door de schoorsteen zo richting de open haard. Dat had ik van thuis geleerd. Net zoals dat je het geld niet over de balk moest gooien, ik ben eigenlijk best zuinig. Zoals mijn ouders meenden dat je die klompen altijd nog wel voor iets anders kon gebruiken, zo ga ik nu ook met spullen om. Mijn hardloopschoenen draag ik ook helemaal af. Niet altijd verstandig overigens. Maar ik ben ervan overtuigd dat je met een paar kleine middelen het leven kunt vieren. Zo richtte ik ook onze huizen in. Ik kan van vier kandelaars iets moois maken en was altijd met het interieur bezig. Op een gegeven moment hadden we ook een plek buiten de stad waar we regelmatig naartoe gingen. Eerst een caravan en later een chalet. Daar maakte ik ook weer wat moois van. Op mijn 32ste kreeg ik een baan als bouwkundige en was ik verantwoordelijk voor de onderhoudsplanning van zo’n tienduizend woningen. Het was een baan die me op het lijf geschreven was. Ik stuurde een team aan en had niet alleen te maken met personeel, maar ook met bewoners. Dat vond ik prachtig. Ondertussen heb ik toen dit huidige huis gekocht. Ik heb het helemaal verbouwd en er iets moois van gemaakt. Ik houd van bezig zijn, van uitdagingen en plannen maken. Die levendigheid. Het liefst met even actieve mensen om me heen die wat willen in het leven. Die van het leven een feestje maken.”

Voor vlijt, netheid en ijver moest ik een 8 hebben

Dat vrolijke actieve leven kreeg een andere wending toen Nellie hem verliet. “Mijn kinderen vertrokken voor een vakantie naar Frankrijk. Ik zei ze gedag, zwaaide ze uit en een moment later zei Nellie: ik ga ook weg. Daar was ik kapot van. Na haar vertrek had ik twee moeilijke jaren en ben een tijd gaan reizen door Australië en Nieuw-Zeeland. Ik was nog maar begin vijftig jaar en maakte er het beste van. In diezelfde periode beklom ik ook verschillende bergen waaronder de Mount Everest, Kilimanjaro en Annapurna base camp in de Himalaya. Ik kwam echter als herboren terug. Het was ook de periode dat ik begon met hardlopen. Eerst via een skivereniging. We liepen steeds een kilometer tien, met koffie en gebak na. We liepen echter steeds grotere afstanden totdat de marathonafstand in beeld kwam. Het werd de Slachtemarathon in Friesland, die ik in een tijd van 4.16 liep. Ik was enorm enthousiast en riep meteen dat ik dan ook de marathon in New York wel wilde lopen.” Met een vriend als coach trainde hij kilometerslang. “Moest ik 34 kilometer lopen, stopte hij op 24 kilometer om bij hem thuis soep te eten. Dat soort grappen. Moest ik erna weer opstarten. Vreselijk vond ik dat, maar ik werd er wel sterker door. Ik liep uiteindelijk New York net boven de vier uur uit. Ik was zo blij. Daarna liep in Rotterdam 3.53 en in Amsterdam 3.49.” Daar bleef het echter niet bij. Lang verhaal kort; hij raakte in de ban van de Big Six. Dé zes marathons van de wereld. Wat hem er zo aan fascineert? “Een marathon loop je uit. Je stapt niet uit, je gaat tot de bodem. Je laat zien wie je bent. Ik vind dat je jezelf altijd waar moet maken. Laten zien wat je in huis hebt. Dat wil niet zeggen dat je naast je schoenen moet gaan lopen, maar je doet je best. Mijn vader zei altijd dat je voor vlijt, netheid en ijver een 8 moest hebben. De rest was minder belangrijk. Als je voor de andere vakken lagere cijfers had, lag dat niet aan jou, zo meende mijn vader. Dat je je best moet doen, heb ik nog altijd in me. Doe ik dat niet, dan voel ik me al snel schuldig. Ik wil ook altijd anderen blij maken. Iets erbij laten zitten, voelt als zinloos en dat kan je ongelukkig maken.”

Ik zie overal kansen en uitdagingen

Door actief te blijven, overal kansen te zien en iedere uitdaging aan te gaan, staat Simon op zijn 75ste nog altijd actief en midden in het leven. “Ik ben een zondagskind, en vernoemd naar mijn oom Simon. De man sneuvelde in Indonesië. Zo’n tien jaar terug heb ik naar zijn graf gezocht en deze na zeven dagen zoeken op een bijzondere wijze gevonden. Ook dat is weer een heel verhaal, maar het ontroert me nog altijd. Ik heb niet zomaar een naam gekregen. Mijn oom was sterk en heldhaftig. Ik wilde hem eren en danken. Dat soort zaken raken me. Ik beleef dingen heel intens. Zo sta ik in het leven. Ik ben nu 75 jaar maar ik gedij het beste tussen jongere mensen. Ik kan het prima met oudere mensen vinden, maar toch… Onlangs bezocht ik een terras waar allemaal ouderen zaten. Dat voelde niet goed, en ik ben een eind verderop gaan zitten. Plaats mij maar tussen mensen die lekker energiek zijn. Die ideeën hebben en ergens voor willen gaan. Die blij zijn. Daarbij voel ik me thuis. Trouwens, wat is leeftijd? Bij het eindfeestje van de Big Six was een man van 83 jaar die de marathon in 5.10 uur had gelopen. Er zijn dus nog genoeg kansen!”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geschreven door: Redactie

Meld je aan voor de nieuwsbrief

Volg ons via Facebook